De woorden van Petrus zijn heel duidelijk over de plaats, waar de ongelovigen gestraft worden. Hij zegt, dat deze aarde bewaard wordt voor dat vuur, dat oordeel en vernietiging over de goddelozen zal brengen. Zij worden op deze aarde gestraft. Jesaja zegt: “Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE, het jaar van de vergelding om de rechtszaak van Sion. Zijn beken zullen veranderd worden in pek, en zijn stof in zwavel; ja, zijn land zal worden tot brandend pek.” Jesaja 34: 8 – 9.
De profeet schildert het zó af, dat onze hele planeet in het vernietigende vuur gehuld zal zijn. Zelfs de waterstromen en het stof worden veranderd in een exploderende vlammenzee van pek en zwavel. Jesaja zegt, dat dit Gods wraak en vergelding is aan het einde van de strijd.
David vult het geschetste beeld aan met deze woorden: “Hij zal op de goddelozen een regen storten van valstrikken, vuur en zwavel; een geweldige stormwind zal het deel van hun beker zijn.” Psalm 11: 6. Merk je op, dat hij bijna dezelfde woorden gebruikt als Johannes en Petrus, wanneer hij het lot van de goddelozen beschrijft. Ze stemmen allemaal overeen wat de plaats betreft: dat is de aarde. En ook over het middel waarmee gestraft wordt: vuur.



